Kabeljauw ( Gadus morhua )

Kabeljauw
 
Beschrijving
De kabeljauw kan wel 1,5 m lang worden. Exemplaren van die lengte zijn zo'n 25 jaar oud. De vorm is karakteristiek voor de groep: langwerpig, met drie rugvinnen, twee aars- of anaalvinnen, een grote kindraad onder de kin en een duidelijke zijlijn die van de staart recht naar voren loopt tot onder de middelste rugvin, van daar af een boog naar boven maakt en eindigt bij het kieuwdeksel.

Voedsel
Jonge kabeljauw eet vooral kreeftachtigen, oudere dieren wormen, weekdieren, en kleine vissen.

Voortplanting
Na vier jaar is de kabeljauw paairijp. De paring vindt plaats vroeg in het voorjaar. Een vrouwtje kan wel 0,5 tot 5 miljoen eieren per keer produceren! Deze eieren, zo'n 1,5 mm in doorsnede, zweven eerst in het water en stijgen dan naar de oppervlakte. Na 2 tot 4 weken komen ze uit.
De vislarven laten zich vervolgens, met dooierzak en al, met de stroom meedrijven. Als de dieren enkele maanden oud zijn gaan ze dichter bij de bodem leven. 's Zomers zitten ze ondieper dan 's winters.

Leefgebied
Op of vlak bij de bodem boven een harde, onregelmatige ondergrond; diepte tussen 10 en 60 m, soms dieper. Maximum diepte waarop wel eens kabeljauwen zijn aangetroffen is 600 m. Hun hele verdere leven zullen het zwervers blijven. Zo is bekend, dat kabeljauwen in de Noordzee van scheepswrak naar scheepswrak trekken. De jonge kabeljauwen hebben de neiging dichter bij de kust te komen dan de ouderen. Deze jonge dieren worden gullen genoemd.

Verspreiding
Beide zijden van de noordelijke Atlantische Oceaan. Aan de westzijde van Groenland tot Kaap Hatteras, aan de oostzijde van Nova Zembla en Spitsbergen tot halverwege de Golf van Biskaje.
 
Kabeljauw ( Nederlands )
Tor ( tot 35 cm ) ( Nederlands )
Gul ( van 23 tot 60 cm ) ( Nederlands )
Dorsch ( Duits )
Cod ( Engels )